"Vleugelslag", Bernard Dewulf

Vleugelslag

Honden bestaan tussen twee uiterste clich├ęs: trouw en onbetrouwbaar. Er zijn blindenhonden en bloedhonden. Ook verder belichamen ze zowat alles wat menselijk is.
Geen dier waar wij ons meer in hebben geprojecteerd.
Agnes Nagygyorgy tekent en maakt kronkelende honden. Soms lijken het hompen vlees (van vieze was), soms zijn ze van wit gips. Het zijn nog herkenbaar honden, maar voorts zijn het mensen. Vooral lichamen van mensen, die zich in bochten wringen.
Weten ze met zichzelf geen blijf? Verrekken ze van de lust, van een amechtige begeerte, van een onnoemelijke pijn? Ze lijken uit zichzelf te willen ontsnappen. Maar halfweg blijven ze steken, in een kramp van onmacht.
Hun uitbraakpogingen zijn getekend door een onvermogen. Alle vlees is kluizenaar. En alle vlees wil verhuizen. En alle vlees blaft machteloos als de hond.
Soms spreidt de hond zich in dit werk zo wijd als mogelijk. Dan lijken zijn poten vleugels, lijkt hij op zoek naar een hoge vlucht.
Agnes Nagygyorgy tekent en maakt ook vleugels.

Soms zijn vogels in de straat net straathonden. Nobody cares. Ze zijn vogelvrij. Ze worden doodgereden en vervolgens duizend keer verpletterd.
De kunstenares nam foto's van deze resten van vliegende wezens, geplakt tegen het asfalt van ons vooruitgangsgeloof. Het zijn beelden van de gruwel, die onvermijdelijk ook schoonheid in zich heeft.
Het is ook bewijsmateriaal van de kwetsbaarheid van alles. Wat er overblijft van de vogelvlucht: een opengesperde bek waaruit wat bloed is gevloeid.

Wat vaak ook nog overbijft: de restanten van vleugels. Pluimen zijn sterk. En vederzacht.
De kunstenares neemt ze mee en recycleert ze. Maakt er grote, nieuwe vleugels mee.
Kunstvleugels. Voor ons, voor zichzelf. Maar wij zijn geen vogels, onze armen zijn vleugellam. De kunstenares laat onze arm overgaan in een enorme hangende vleugel. Hij moet erg wegen: iets loodzwaars, uitgerekend een vleugel, houdt ons aan de grond. Precies datgene waarmee we een vrijheid zouden kunnen ontvouwen, knecht ons.
De mens: een paradox van vlieglust en vliegangst.

Toonbeeld van die vlieglust is natuurlijk Icarus. De hybris en de was op zijn vleugels worden hem fataal.
De kunstenares bedekt een vleugel overvloedig met was - alleen het puntje komt nog onder dikke laag vandaan, als een herinnering. Was wordt gebruikt om mensen na te maken, bijna-echt.
Het is even vloeibaar als vast, even warm als koud.
Wat doet die vleugel onder die dikke laag was? Hij lijkt muurvast te zitten, loskomen kan hij pas als het heel warm wordt. Lammer kan een vleugel moeilijk ogen. De kans dat hij hier ooit wegraakt is onbestaande. Maar hij is mooi, zoals zijn vorm spreekt in de was. Zijn onbruikbaarheid is zijn schoonheid geworden, zijn onbeweeglijkheid zijn bestemming. Zijn treurigheid is overgoten,
ingedikt, verstijfd en verstild onder een koesterende dikte.
Iets heeft zich over hem ontfermd: het erbarmen van een kunstenaar. De stolling van een genade.
Blaffen wij onmachtig als de hond, klapwieken wij van onvermogen - altijd zoeken wij een uitweg, een ontferming.


Bernard Dewulf