"Ik maak een vogel"

"Ik maak een vogel"

installatie door Agnes Nagygyorgy
(tekst van de geluidsopname)

 


Grijze vogel:
Ik maak een vogel, een grijze vogel.
Een stem in me zegt:"Je kan geen vogel maken! Vogels zijn vrije, levende wezens die veel meer kunnen dan jij. Vogels kunnen vliegen!"
Goed. Ik maak een beeld van een vogel.
Ik neem pluimen van duiven: grijs, bruinachtig, modderkleurig, vuilroos.
Ik plak de pluimen laag na laag. De vorm wordt dikker en helemaal gesloten. Het is niet mooi. Ik ben bang voor mooie beelden.
Ik denk aan al die duiven van de stad, overal aanwezig en toch onopvallend, grijs, gelijk de stenen van de straat, asfalt, beton.
Ik aai mijn vogel uit compassie voor zijn versleten lelijkheid en omdat de veren, ook al zijn ze grijs en bruin, toch een zijdeachtige, zachte glans hebben. Maar ineens komt er een andere impuls in mij op: ik wil die afgeronde, met een dikke laag pluimen bedekte kop van mijn vogel kapot slaan, open kappen. Ik verdraag die gezichtsloze anonimiteit, die treurigheid niet. Ik krijg een vreemd, benauwd gevoel als ik ernaar kijk.
Zitten al die gevoelens die ik gewaar wordt terwijl ik mijn vogel maak in het beeld?
Ziet iemand buiten mij ooit wat ik bedoel?

 


Witte vogel:
Ik maak een vogel, een witte vogel.
Ik neem witte ganzenveren. Ze zijn groot, zacht en zuiver. Ik plak ze op pluim na pluim. Ik geniet van het werken, van de eenvoud en tederheid van deze trage en repetitieve handeling. Het duurt wel een paar dagen voor het klaar is.
Ik ben verliefd op mijn witte vogel. Ik wil haar strelen,vasthouden, aanraken met mijn lippen, in mijzelf opnemen. Ze is ochtend, mist, nevel, een bruid, onschuld, een jong meisje die denkt:"Zou iemand me ooit willen nemen? Zal iemand ooit van me houden?"
Mijn vogel moet dikker. Ik zie het nu. Ze is te fragiel, te slank, te kwetsbaar. Alles wat ik maak is te kwetsbaar, te dun! Waarom ben ik zelf altijd zo fragiel, zo breekbaar?
Ik zoek nieuwe pluimen. Ze wordt dikker. Ik kijk en ik plak. Ze is geen jong, onschuldig meisje meer. Ze is een fijne, rijke dame ingeduffeld in een dure pelsmantel.
Wil ik dat mijn witte vogel op een rijke dame lijkt?
Kan ik er nog van houden?
Moet ik van mijn beeld houden?

 

 

Zwarte vogel:
Ik maak een vogel, een zwarte vogel.
Overal zoek ik zwarte pluimen: op pleinen, in 't bos, in 't park. Ik wist niet dat zwarte pluimen zo moeilijk te vinden waren. Ik zie overal eksters en kraaien.
Ik vind maar enkele.
Het moet anders.
Ik neem pluimen van duiven en knip het zwarte gedeelte eruit. Ik heb honderden zwarte stukjes voor mij. Ik begin ze op te plakken. Met al die kleine, zwarte, afgeronde pluimen bovenop elkaar geplakt lijkt mijn vogel op een priester met zijn zwarte rokken.
Het is een somber beeld maar ook mooi met de diepe schittering van de zwarte pluimen: afstotelijk en aantrekkelijk tegelijkertijd.
Het beeld is af.
Ik dacht aan de dood. Ik wou de dood maken: donker, ondoordringbaar, schrikwekkend, geheimzinnig.
En weer die stem die zegt: "Je kan de dood niet maken. Je weet zelfs niet wat de dood is."
Dat is waar. Alles wat dit kan worden is een idee van een idee, dat de dood donker is. Zwart.
Kan ik ooit echt iets vatten, dichter bij de essentie komen?
Kan een beeld ooit meer zijn dan een idee van een idee?